Onbeperkt

Geplaatst in Woord & Gebaar in mei 2019.

Ik heb mezelf lange tijd als beperkt gezien, toen ik jonger was, niet omdat ik een zogenaamde beperking heb, maar door het feit dat de samenleving me als beperkt zag. Het stoorde me altijd nogal. Ik kan niet horen, maar ik zag niet in waarom me dat minder zou maken dan de rest van de horende bevolking. In het leven dat ik leid voel ik me over het algemeen net zo normaal als mijn horende buurvrouw die elke dag haar plantjes water geeft en dan op de fiets naar haar werk gaat. Ik voel me net zo normaal als het meisje dat in een koffiebar bezig is met haar werk en sloten koffie drinkt om gefocust te blijven. Ik voel me net zo normaal als de man in de supermarkt die twijfelt welke kaas hij wil kopen. Het zijn namelijk allemaal dingen die ik ook doe en waar ik me niet beperkt in voel.   

Uiteraard zijn er wel momenten dat ik me ‘beperkt’ voel, maar dat heeft niet te maken met mijn eigen doofheid. Het heeft te maken met het feit dat er dingen in het systeem niet toegankelijk zijn voor iedereen, niet alleen voor ons doven, maar voor heel veel mensen niet. Maakt dat ons beperkt? Of is het systeem dan beperkt? Ik denk het tweede. Ik wil mezelf niet als minderwaardig zien omdat het systeem beperkt is. Ik weiger mezelf als minder te zien, alleen maar omdat de wereld te veel gericht is op audio. Het hebben van een beperking is alleen maar gebaseerd op het idee dat een mens zou moeten voldoen aan bepaalde voorwaarden en als je dat niet doet, ben je beperkt. Maar wie voldoet er nou echt aan alle ‘voorwaarden’ om zogenaamd ‘normaal’ te zijn?

Het feit dat ik mezelf niet als beperkt zie is niet voor iedereen te begrijpen. Je krijgt complimenten over hoe goed je het wel niet doet, “ondanks” het feit dat je niet zou kunnen horen. Ik heb veel moeite met dat soort complimenten. Het voelt namelijk niet terecht. Als ik in een café zit met mijn vrienden en er een man naar me toe komt om ons te vertellen dat het zo mooi is dat we “ondanks” onze doofheid toch uitgaan, heb ik daar moeite mee. Want wat wordt er dan van ons verwacht? Dat we thuis zitten en continu bezig zijn met onze doofheid? Dat we alles in ons leven als onmogelijk zien omdat we niet kunnen horen? Dat we thuis zitten te miepen en ons af vragen wat we met ons leven moeten? Uiteraard niet. Ik wil ook een biertje kunnen drinken in de kroeg en met mijn vrienden kletsen over dingen die gebeuren in de wereld zonder dat mensen in die kroeg over ons praten dat we zo ‘bijzonder’ zijn.

Het is  lastig om iemand te zijn die zichzelf niet als beperkt ziet. Dat lijkt in de huidige maatschappij vreemd. Als je niet kan horen, zien of lopen, ben je niet hetzelfde als de meerderheid van de bevolking. Dan ben je ‘beperkt’. Dan gaat men er automatisch van uit dat je wel wilt kunnen horen, lopen of zien, omdat je dan hetzelfde bent als de dominante stroming. Men gaat ervan uit dat je leven ontzettend zwaar moet zijn en dat je veel mist. Ik probeer vaak uit te leggen dat ik een fantastisch leven heb (over het algemeen) doordat ik doof ben. Ik heb het geluk om een van de mooiste talen ter wereld als mijn taal te mogen zien. Ik heb het geluk om onderdeel uit te maken van een unieke en bijzondere groep. Ik heb het geluk om onderdeel te zijn van een groep diverse mensen die een ding delen: we zijn allemaal doof, op welke manier dan ook.