Tag: doof

Tolken-moe

Tolken-moe

Het gevoel dat ik tolken-moe ben, heb ik een aantal keer per jaar. Het gaat vaak na een paar baalweken weer over. Maar nu houdt het, door al het digitale werken, al wat langer aan. De emotionele rek is er door corona bij veel mensen uit en bij mij ook. Het thuiswerken en de hele dag naar een scherm staren en er interactie mee hebben putten me uit. Terwijl ik een half jaar geleden nog een stuk schreef over hoe digitaal werken ook zijn voordelen had, ben ik er nu minder enthousiast over. En dan komt daarbovenop ook nog de tolken-moeheid. Dat klinkt niet zo aardig, om dat zo hier te schrijven in het blad van de beroepsvereniging van tolken. Maar het heeft niks met tolken zelf te maken, de tolken met wie ik werk zijn allemaal hartstikke leuk en aardig. Ik werk graag met hen samen. De tolken-moeheid komt vooral door andere dingen. En ik weet dat veel doven dit herkennen.

In mijn werkende leven moet ik veel samenwerken met verschillende mensen. Daarnaast werk ik ook samen met verschillende tolken. Die moet ik (vaak) eerst regelen. En daarbovenop moet ik ook vaak nog regelen dat tolken op de hoogte zijn van waar het over gaat, moet ik ze voorbereiding sturen, moet ik ze doorgeven via welk platform we overleggen én vertellen wie er aanwezig zijn. Als ik het erg druk heb, met veel vergaderingen en dergelijke, heb ik het vaak dus nóg drukker omdat ik voor al die bijeenkomsten ook nog die tolkzaken moet doen. Het is soms heel vermoeiend om telkens weer tolken te appen, te horen dat ze niet kunnen, om dan de volgende te appen (die dan ook niet kan) en zo maar door.

De stress die ik voel als het me niet lukt om een tolk te vinden die ik goed vind, zullen veel doven vast ook hebben.

De stress die ik voel als het me niet lukt om een tolk te vinden die ik goed vind, zullen veel doven vast ook hebben. Als de dagen steeds dichterbij komen en je nog steeds niemand hebt gevonden. Of als de tolk ineens uitvalt vanwege ziekte of iets anders. Of dat juist de vergadering verzet wordt, terwijl het je nét is gelukt om tolken te regelen! Ook kan er stress ontstaan door het digitale werken, als de internetverbinding van de tolk niet goed blijkt te zijn, of juist die van mij. Door het digitale werken is er zo veel ruis op de lijn. En na een jaar digitaal vergaderen kan ik toch zeggen: tolken zijn beter te volgen in 3D. Maar niet alleen de praktische zaken veroorzaken deze tolken-moeheid.

Zoals de irritatie en frustratie die ontstaan als er een tolk wordt ingezet die ik niet ken, omdat ik telkens weer de angst heb dat ik niet goed kan deelnemen aan het gesprek

Zoals de irritatie en frustratie die ontstaan als er een tolk wordt ingezet die ik niet ken, omdat ik telkens weer de angst heb dat ik niet goed kan deelnemen aan het gesprek, dat mensen me niet goed begrijpen of dat mijn bijdrage niet goed vertaald wordt, waardoor mensen mij als minder competent zien. Of het feit dat de situatie al zo ongelijk is, omdat ik via een tolk communiceer. Het gebeurt daardoor zelfs wel eens dat ik dan maar stilval. Dat is een ongewenste situatie en ook eentje die ik zo veel mogelijk probeer te voorkomen door het te bespreken met collega’s en tolken, maar ook door vooral de tolken te benaderen die ik vertrouw en ken. Als die tolken niet beschikbaar zijn, dan gaat wat mij betreft de vergadering niet door. Liever een tolk die ik ken en vertrouw, dan een onbekende tolk waar ik nooit mee heb samengewerkt.

We roepen graag dat we inclusief zijn, maar zo inclusief is het allemaal nog niet.

We zijn nog niet zo inclusief dat iedereen samen verantwoordelijk is voor het regelen van tolken. De verantwoordelijkheid komt toch vaak op de schouders van doven te liggen. De stress als er geen tolk is, lijken de horende mensen in het gesprek veel minder te ervaren. We roepen graag dat we inclusief zijn, maar zo inclusief is het allemaal nog niet. Daarvoor zijn nog flink wat stappen nodig, vooral vanuit de horende medemens. Dit is niet mijn meest vrolijke column. Maar zoals ik al zei, de emotionele rek is er even uit. Ik ben moe. En ook nog eens ontzettend tolken-moe.

Gepubliceerd in de Interpres, het blad voor tolken NGT, in april 2021

De zelf-reflecterende tolk

Deze column stond eerder in de Interpres, het blad voor en door tolken gebarentaal. Wil je graag reageren of delen wat je erbij voelt? Doe dat vooral, ik zal zeker reageren! Want to read the article in English? With thanks to Wouter Thielen, you can find the English version here: The self-reflecting interpreter | Morannon.org.

Tijdens de opleiding Antropologie werd ons voortdurend op het hart gedrukt dat we ons bewust moesten zijn van onze eigen positie. Wie zijn wij, in welke omgevingen bevinden we ons? Welke ervaringen en kennis hebben wij en op welke manier beïnvloeden onze ervaringen ons beeld? En op welke manier beïnvloeden we met ons eigen beeld deze omgevingen waarin we ons bevinden? Als je als antropoloog onderzoek doet naar een bepaalde cultuur en je probeert een cultuur te begrijpen, moet je eerst jezelf begrijpen. Als je jezelf kent, weet waar je zwaktes zitten, weet waar je mening en visie op zijn gebaseerd, dan pas ben je in staat om een andere cultuur of groep (deels) te kunnen begrijpen. Daarbij is het ook heel belangrijk om je bewust te zijn van je eigen vooroordelen, privileges en opvattingen. Maar het feit dat je vrouw of man bent, wit of zwart en doof of horend bent zal altijd invloed hebben op hoe mensen op je reageren.

Op welke manier beïnvloeden we met ons eigen beeld deze omgevingen waarin we ons bevinden?

Als dove, witte en vrouwelijke onderzoeker en journalist ben ik me vaak erg bewust van hoe mensen op me reageren. Welk onderdeel van mijn identiteit wordt belicht hangt van de situatie af. En zo bewust zijn van mezelf is niet altijd leuk. Ben ik in een groep met horenden, besef ik dat ik opval als enige dove. Het feit dat ik onderzoeker of journalist ben is dan ineens minder belangrijk. Dan besef ik dat datgene wat ik zeg ook invloed heeft op hoe zij de hele groep doven gaan zien. Ik weet dat mensen op verschillende manieren op me reageren, gebaseerd op hun eigen kennis of ervaringen met doven die ze al hebben (of niet hebben) ontmoet. Hou ik daar rekening mee? Altijd. Ik ben me (bijna) altijd bewust van mijn doof-zijn, behalve als ik onder doven ben. Ben ik in een groep met alleen mannen, doof of horend, ben ik me (soms) extra bewust van mijn vrouw-zijn. En zeker als dat extra wordt benoemd door de aanwezigen doordat zij bepaalde gender-gerelateerde opmerkingen maken. Sommige mannen reageren anders, enkel omdat ik aanwezig ben. Denk ik daar vaak over na? Ja. Continu. Altijd. Wie ben ik? En op welke manier beïnvloed ik mijn omgeving? Maar ook, op welke manier beïnvloedt mijn omgeving mij?

En nu naar het beroep tolk NGT/NmG, een bijzonder en belangrijk beroep. Welke rol heb jij als tolk? Je bent namelijk wel, maar ook niet een onderdeel van de dovengemeenschap. Je vertaalt een taal van een minderheidsgroep naar een taal van de dominante meerderheid en andersom. Je vertaalt voor een groep waarvan de taal tot pas geleden niet erkend en ooit zelfs verboden was, een taal die belachelijk wordt/werd gemaakt of bespot (en soms juist bejubeld en geïdealiseerd). Een gemeenschap die vaak wordt achtergesteld, gediscrimineerd, niet serieus genomen. Mensen die continu bezig zijn met hoe ze zichzelf laten zien en zich vaak bewust zijn van hun eigen doofheid. Een groep waarvoor informatie gebrekkig is, niet toegankelijk, niet bekend, of die ze nooit hebben geleerd. Er zijn mensen die zijn moegestreden, waarbij de frustraties van zo vaak om toegankelijkheid te moeten vragen er vanaf spatten. Je vertaalt voor mensen die in sommige situaties als minder worden gezien, die daardoor zichzelf soms als minder zien (maar die absoluut niet minder zijn). Je werkt voor een gemeenschap die hard vecht om gehoord te worden, maar die vaak niet wordt gezien. Als tolk ben je een toegangspoort tot de horende gemeenschap en andersom.

Je werkt voor een gemeenschap die hard vecht om gehoord te worden, maar die vaak niet wordt gezien.

Om een goede vertaling te kunnen leveren, moet je goed begrijpen wie je voor je hebt en met welke groep deze persoon zich identificeert. Welk leed, maar ook welke successen heeft deze groep bereikt? Welke ervaringen hebben mensen die niet horen in een maatschappij die gebaseerd is op geluid? Hoe voelt het voor ons om via jou te moeten communiceren? Erken je de pijn, de gevoelens en de gevechten die we voeren elke dag? Daarvoor is het belangrijk om je bewust te zijn van je eigen positie. Ben je een horende tolk? Dan heb je het privilege dat je horend bent opgegroeid in een maatschappij die gemaakt is voor jou, dat je vele stappen verder bent ten opzichte van je dove medemens. Je hebt het privilege opgegroeid te zijn met informatie die bijna altijd toegankelijk voor je was. Je hebt het voordeel dat je kan bellen, op straat iemand zomaar kan aanspreken, dat mensen jou makkelijker durven te benaderen. Je wordt niet veroordeeld vanwege het feit dat je niet kan horen.

Het feit dat je een mannelijke of vrouwelijke tolk bent, een zwarte of een witte tolk, heeft al invloed op hoe mensen reageren op jou. Maar niet alleen dat, ook de kennis die je hebt kan cruciaal zijn. Jouw aanwezigheid is van grote invloed op een tolksituatie. Door jouw vertaling, maar ook jouw aanwezigheid, kan een doof persoon een beter of minder cijfer halen of de baan van zijn of haar dromen krijgen. Door de manier waarop jij onze gebaren vertaalt naar het gesproken woord kunnen wij intelligenter of dommer worden ingeschat dan we zijn. Door jouw aanwezigheid worden we soms anders behandeld, soms word je gezien als begeleider of denken mensen dat je voor ons praat in plaats van vertaalt. Het is voor ons in sommige gevallen frustrerend en pijnlijk, dat we via een tolk moeten communiceren en dat mensen ons dan nog niet altijd goed begrijpen. Hadden we het liever anders gehad? Zeker weten. Niet alle tolken realiseren zich dat. Maar ook niet alle doven zijn zich daar bewust van. Horenden hebben daar al helemaal vaak geen beeld van. Op welke manier beïnvloed jij je omgeving? En op welke manier beïnvloedt de omgeving jou?

Op welke manier beïnvloed jij je omgeving? En op welke manier beïnvloedt de omgeving jou?

Als tolk heb je een lastige positie. Je bevindt je namelijk op de grens tussen de horenden en de doven. Maar daarbij is het belangrijk om te beseffen dat jij niet de (figuurlijke) stem bent van de dovengemeenschap, omdat de leden van de dovengemeenschap prima zelf kunnen vertellen wat ze willen. Dat wordt door de dominante meerderheid, die de dovengemeenschap niet of nauwelijks kent, vaak niet begrepen. “Je kent de gemeenschap toch? Je kan er toch over vertellen?” Voor veel horenden ben jij de makkelijke weg, omdat communiceren met doven soms “zo moeilijk” kan zijn. Nog een privilege dat je hebt. Maar hoe kan je je privilege goed inzetten, zonder opnieuw doven te kwetsen (die al zo vaak gekwetst zijn door de horende medemens)? Als jij je toch uitspreekt voor de doven, ben je voor ons de zoveelste horende die de spotlight steelt. En dan is het op gegeven moment genoeg. Het is tijd voor zelfreflectie. Welke positie heb je in of vlakbij de dovengemeenschap? Uit welke omgeving kom je en hoe bepaalt dit jouw werk? Welke ervaringen hebben jou gevormd en vormen jouw beeld over de dovengemeenschap? Wie ben je voor ons, voor jezelf en voor je collega’s? En op welke manier gebruik jij je eigen privileges voor ons? Wat voor tolk ben je? Maar ook: wat voor tolk wil je zijn?

‘DOOR DE NEDERLANDSE GEBARENTAAL IS DE WERELD OOK VOOR MIJ TOEGANKELIJK’

‘DOOR DE NEDERLANDSE GEBARENTAAL IS DE WERELD OOK VOOR MIJ TOEGANKELIJK’

Eerder geplaatst op OneWorld, op 14 oktober 2020.

Eindelijk is-ie daar: de erkenning van de meest visuele taal in Nederland, de Nederlandse Gebarentaal. Gisteren nam de Eerste Kamer een wetsvoorstel voor erkenning van de NGT met algemene stemmen aan. Dit betekent dat de NGT naast het Fries ook een officiële taal is in Nederland. En dat doven het recht hebben om te communiceren in deze taal. De wet houdt nog veel meer in, maar op symbolisch niveau voel ik me gezien, gehoord, erkend.

Deze gebarentaal is namelijk veel meer dan alleen een collectie gebaren. Er gaat een wereld achter schuil, met mimiek, lichaamsbewegingen en emoties. Wat al die verschillende dimensies van de NGT zijn en betekenen, kan een taalwetenschapper je waarschijnlijk het beste vertellen. Ik ben een gebarentalige en ik kan je vertellen wat de taal voor míj betekent. Voor mij is de taal natuurlijk; iets eigens. Ik kan je vertellen welke werelden erachter schuilgaan. Welke betekenis de NGT heeft in mijn leven. Wat ik bijzonder vind aan de taal. Wat de dingen zijn die mij raken.

Dit is een ode aan de Nederlandse Gebarentaal. Ik ben me bewust van de ironie, dat dit geschreven stuk niet in de taal is die ik zo waardeer. Maar hoe kan ik anders de niet-gebarentaligen bereiken? Alle mensen die de taal niet machtig zijn, maar er wel meer over willen weten? Of degenen die de taal net zo mooi vinden als ik, maar de taal zelf (nog) niet beheersen. Of juist degenen die denken dat gebarentaal geen echte taal is; dat het slechts gewapper in de lucht is. De personen die denken dat de gebarentaal minderwaardig is aan gesproken Nederlands, die denken dat de taal een hulpmiddel is.

DEZE ODE IS OM JULLIE EEN INZICHT TE GEVEN IN DE TAAL WAAR IK ZO VAN HOUD EN WAARIN IK LIEFHEB

Deze ode is voor al die mensen, om jullie een inzicht te geven in de taal waar ik zo van houd, de taal waarin ik liefheb, die ik koester. Inzicht in de taal die me toegang geeft tot een wereld waar ik anders misschien nooit toegang tot had kunnen krijgen. En ook om jullie te laten zien dat al die vooroordelen over de taal niet kloppen.

Ik ben tweetalig opgegroeid, met het Nederlands en de NGT. Als doof kind was ik vooral geïnteresseerd in het Nederlands. Ik verdiepte me in boeken, in verhalen, ging wekelijks naar de bibliotheek. Ik dacht dat de wereld toegankelijker zou zijn als ik me vooral in deze taal zou verdiepen. Dat mensen me meer zouden accepteren als ik vooral in het Nederlands zou communiceren en niet in NGT. Dat had ik mis. Ik werd juist het meest geaccepteerd door de gebarentaligen. De mensen die de wereld visueel zien. Die mij opnamen als een van hen, omdat ze meteen zagen dat ik erbij hoorde omdat ik ook een gebarentalige was.

IK WAS PLOTSELING HET VERHAAL ÉN DE VERTELLER

Als puber, toen ik in de dovengemeenschap terechtkwam, was ik verrukt over alles wat ik kon volgen. Opeens kon ik alles begrijpen, overal over meepraten. De wereld was ineens toegankelijk. Ik maakte er onderdeel van uit. Terwijl ik eerder altijd het gevoel had gehad op een afstandje toe te kijken, me aan te moeten passen: het leven werd geleefd door anderen en ik keek toe. Nu leefde ik zelf. Ik was plotseling het verhaal én de verteller.

Wat ik zo fijn vind aan gebarentaal is het continue contact met elkaar. Je weet het meteen als iemand niet echt luistert of maar half luistert, doordat hij of zij af en toe wegkijkt. Wie echt oplet, kan als luisteraar namelijk niet wegkijken, want gebaren zijn visueel en daarbij moet je alles kunnen zien. De echt fijne luisteraars zijn degenen die heel actief luisteren. Die tijdens jouw verhaal heel hard knikken en af en toe geschokt kijken, of juist verrukt. Dat zijn degenen die helemaal meegaan in je verhaal. Dat hoeft niet eens in gebaren; mimiek is daarbij al genoeg.

DE WERELD IS GEWOON VEEL MOOIER ALS JE HAAR BESCHRIJFT IN NGT

De ogen die steeds wat wijder open gaan staan als iemand verbaasd is. De open mond als iemand gefascineerd is door je verhaal. De zucht als iemand geërgerd is. De neusvleugels die een beetje omhoog gaan als iemand bevestigt wat je zegt. Een wenkbrauw die omhoog gaat als iemand het niet helemaal met je eens is. Een hoofd dat lichtjes heen en weer schudt. Lippen die op elkaar geperst worden, een geërgerde blik, ogen die zich afwenden. Iedereen reageert anders op verhalen. Al deze non-verbale communicatie is een belangrijk onderdeel van de Nederlandse Gebarentaal, dat alleen maar visuele aspecten kent.

Hoe dankbaar ben ik, dat ik doof ben geboren: dat de Nederlandse Gebarentaal zo’n groot onderdeel van mij is. Dankbaar ook, dat mijn ouders besloten om NGT te leren voor mij en mijn broer en zo inzagen hoe belangrijk gebarentaal voor ons is. Dankbaar dat ik door de taal eindelijk echt mezelf werd, dat ik nu dichter bij mezelf sta dan ooit. Hoe ik door de taal het gevoel heb dat ik mijn emoties beter kan uiten. Dat de wereld gewoon veel mooier is als je haar beschrijft in NGT. Dat verhalenvertellers zo mooi zijn om naar te kijken dat ik er soms geen genoeg van krijg. Dat ik de handen wil volgen die zovele levens schetsen en mensen beschrijven.

Ik ben ook dankbaar dat de Nederlandse overheid nu inziet dat de taal ook in Nederland officieel erkend moet worden. In veel landen in Europa, zoals Denemarken, Finland, België is de nationale gebarentaal al erkend als taal. Voor mij is de Nederlandse Gebarentaal een thuis, een taal waarin ik me echt mijzelf voel, waarin ik me volledig kan uiten.

De erkenning van de NGT betekent dat ik het recht heb om in NGT te communiceren als ik dat wil, dat er nooit meer zo’n drama als een verbod op gebarentaal plaats zal vinden. Maar vooral is het symbolisch: gebarentalige doven horen er ook bij in Nederland.

Zwijgen is niet toestemmen: waarom we ons vaker zouden moeten uitspreken

[Eerder geplaatst in Woord & Gebaar, nummer 4, 2020]

Vroeger, toen ik klein was, vluchtte ik graag in boeken. Als ik iets niet leuk vond, als mijn klasgenootjes me plaagden of erger, me pestten, ging ik het liefst lezen, zodat ik pijn niet hoefde te voelen. Ik was niet goed in aangeven dat ik iets moeilijk vond of dat iets me pijn deed (nog steeds niet). Ik vluchtte liever in andere verhalen, in andere levens. Ik herinner me dat mijn ouders me vertelden dat ik mijn verdriet of pijn moest delen, zodat andere mensen zich bewust werden van wat ze deden en gedrag konden aanpassen of er iets van konden leren. Want mensen zijn zich niet altijd bewust van wat ze doen. Als iets pijn doet, zeg je dat. Als je iets moeilijk vindt, zeg je dat. Toen ik klein was, vond ik dat moeilijk en ik ben er nog steeds niet goed in. Maar ik realiseer me nu wel dat je uitspreken een verandering teweeg kan brengen. Het kan mensen hun ogen openen.  

Aandacht 

Ik vind het een goede ontwikkeling dat mensen zich meer uitspreken. Als iemand iets niet prettig vindt, als iets pijn doet of als iets ongemakkelijk voelt, dan moet dit benoemd worden. Dat is wat nu bij Black Lives Matter gebeurt. Zwarte mensen geven aan dat ze veel racisme ervaren in de samenleving. Dat er veel institutioneel racisme is en dat dit zou moeten veranderen. Heel veel mensen tegelijk spraken zich uit, waardoor ze eindelijk de aandacht kregen die ze verdienden. Terechte aandacht. Want als iets pijn doet, als iets niet goed voelt, als mensen minderwaardig worden behandeld, dan mag daar iets over gezegd worden. Dan moeten mensen zich laten horen. 

Als iemand iets niet prettig vindt, als iets pijn doet of als iets ongemakkelijk voelt, dan moet dit benoemd worden.

Journalist 

Toen ik zeventien was, werd mij door de School voor Journalistiek in Utrecht (SvJ) verteld dat ik de opleiding Journalistiek nooit zou kunnen halen, omdat ik doof ben. Volgens hen zou ik radio, tv en andere vakken niet halen en konden ze geen vrijstellingen of andere oplossingen regelen. Men gaf aan dat ik beter een andere opleiding kon doen en ze hadden al een gesprek geregeld met iemand van de opleiding Bedrijfscommunicatie. Ik was gekwetst, teleurgesteld en mijn droom viel in duigen. Toen ik dat hoorde kroop ik zo diep weg in mijn eigen teleurstelling, dat mijn ouders me er uit moesten trekken. Ik herinner me dat mijn moeder zei: “We gaan het niet opgeven. Dit is discriminatie. Zeg er iets van. Vertel het door. Dit kan gewoon niet.” En ik zei er iets van, op social media. En het kwam in de krant, in meerdere kranten. Ik kreeg stageplekken aangeboden bij kranten en werd uitgenodigd om mijn verhaal te vertellen op verschillende nieuwskanalen.  

Reacties  

De reacties waren vreselijk. De meeste waren positief, maar er zaten reacties bij, die sneden door mijn ziel. Mensen die zeiden: “Welkom in de echte wereld” of “Je bent doof, natuurlijk kan je geen journalist worden” of “Stel je niet zo aan, je had beter moeten weten”. Mijn familie moest me achter de computer wegtrekken, zodat ik reacties niet meer zou lezen. Ik werd er zo intens verdrietig van. Ik was net van de middelbare school af, waar ik zelfvertrouwen had opgebouwd en dat werd door een paar bekrompen mensen behoorlijk vernietigd. Mijn ouders hebben me gesteund, gepusht, mijn tranen opgevangen. Ze vertelden me dat ik journalist kon worden, dat ik in mezelf moest geloven. Ik kreeg zoveel verhalen van mensen toegestuurd die precies hetzelfde hadden meegemaakt, op zoveel verschillende opleidingen en scholen. Zoveel dromen in duigen gevallen, zo veel mensen de grond in geboord, enkel omdat er mensen zijn die in bepaalde kaders denken en niet op andere manieren kunnen denken. Ik vroeg hen waarom ze hun verhalen niet deelden. Ze zeiden: ‘omdat het veel pijn deed.’ of ‘Omdat hun zelfvertrouwen een deuk had opgelopen.’ en ‘Omdat ze twijfelden, misschien had de ander wel gelijk gehad.’ Het maakte me verdrietig, omdat ik al die gevoelens ook herken. Maar het was ook heel fijn om te weten dat ik niet de enige was die dit had meegemaakt.  

Excuus 

De SvJ bood zijn excuses aan. Ze waren afgebrand op de radio, op het nieuws. Ze waren op hun vingers getikt. Er waren zelfs kamervragen gekomen. Niet dat die iets hebben uitgemaakt, maar er was aandacht voor de zaak. Heeft het me iets opgeleverd? Ik denk van wel, uiteindelijk heb ik toch gelijk gekregen, wat een geruststelling voor me was. Ook heb ik hierdoor mensen hopelijk wat bewuster gemaakt hoe dit voor mij voelt en dat het niet zo hoeft te gaan. En ook dat dit nog vaak gebeurt in Nederland. Daarnaast heb ik het hopelijk een beetje makkelijker gemaakt voor de mensen na mij die de opleiding voor journalistiek wilden doen. Het is misschien iets heel kleins. Maar als mensen vaker hun verhalen delen en vaker vertellen wat hun kwetst of wat hun pijn doet, moeten anderen er wel naar luisteren. Als er steeds meer doven hun ervaringen delen, ziet men in dat er iets moet veranderen.  

Als er steeds meer doven hun ervaringen delen, ziet men in dat er iets moet veranderen. 

Niet zwijgen 

Nu, acht jaar later, vind ik het nog steeds moeilijk om me uit te spreken. Soms zie ik iets wat me raakt. Dan moet ik mezelf ertoe zetten om er iets van te zeggen. En de reacties doen dan ook pijn, maar ik probeer te bedenken dat het voor een goed doel is. Voor een meer inclusieve maatschappij. Misschien ben ik wat idealistisch, denk ik dat de wereld een betere plek kan worden. Dat geloof ik echt. Als wij doven onze verhalen vaker vertellen, vaker vertellen dat dingen ons kwetsen, of dat iets ons pijn doet, worden mensen steeds bewuster. Als je je niet uitspreekt, verandert er niets. Je bent de enige die er onder lijdt, terwijl er zo veel verhalen bestaan als het jouwe. En als jij er niet iets van zegt, zal de volgende dove persoon die zich aanmeldt op jouw school precies hetzelfde meemaken. Die zal ook die pijn voelen die jij voelde. Hoeveel doven zijn er wel niet die discriminatie meemaken? Te veel. Ik denk dat het er veel te veel zijn geweest. Dus spreek je uit. Vertel jouw verhaal. Zwijgen is niet toestemmen. Door te zwijgen verandert er niks.     

Hoe kan je je uitspreken?  
Als je ziet of meemaakt dat er sprake is van discriminatie, kun je een melding doen bij het College voor de rechten van de mens. Zij kunnen de zaak in behandeling nemen. Als je het gevoel hebt dat een organisatie jou oneerlijk behandeld, kan je een mail sturen naar de desbetreffende organisatie en een klacht indienen. Als de organisatie niet reageert of jouw ervaring niet serieus neemt kan je ook een melding doen bij het College. Als je twijfelt of het wel echt discriminatie is, kan je ook een oordeel aanvragen bij het College, zij zullen dan een oordeel geven over jouw klacht. Je kan meer informatie vinden over het college op: https://klachtenformulier.mensenrechten.nl/#/.  

Je kan er ook op social media aandacht voor vragen. Dan kan het gebeuren dat je vervelende of pijnlijke reacties krijgt, maar mensen worden dan wel meer bewust dat zulke dingen nog steeds gebeuren in Nederland.  Via Twitter kun je veel organisaties goed bereiken door ze te taggen en door het kiezen van de juiste hashtags kunnen andere mensen jouw tweets vinden.  

  

Onbeperkt

Geplaatst in Woord & Gebaar in mei 2019.

Ik heb mezelf lange tijd als beperkt gezien, toen ik jonger was, niet omdat ik een zogenaamde beperking heb, maar door het feit dat de samenleving me als beperkt zag. Het stoorde me altijd nogal. Ik kan niet horen, maar ik zag niet in waarom me dat minder zou maken dan de rest van de horende bevolking. In het leven dat ik leid voel ik me over het algemeen net zo normaal als mijn horende buurvrouw die elke dag haar plantjes water geeft en dan op de fiets naar haar werk gaat. Ik voel me net zo normaal als het meisje dat in een koffiebar bezig is met haar werk en sloten koffie drinkt om gefocust te blijven. Ik voel me net zo normaal als de man in de supermarkt die twijfelt welke kaas hij wil kopen. Het zijn namelijk allemaal dingen die ik ook doe en waar ik me niet beperkt in voel.   

Uiteraard zijn er wel momenten dat ik me ‘beperkt’ voel, maar dat heeft niet te maken met mijn eigen doofheid. Het heeft te maken met het feit dat er dingen in het systeem niet toegankelijk zijn voor iedereen, niet alleen voor ons doven, maar voor heel veel mensen niet. Maakt dat ons beperkt? Of is het systeem dan beperkt? Ik denk het tweede. Ik wil mezelf niet als minderwaardig zien omdat het systeem beperkt is. Ik weiger mezelf als minder te zien, alleen maar omdat de wereld te veel gericht is op audio. Het hebben van een beperking is alleen maar gebaseerd op het idee dat een mens zou moeten voldoen aan bepaalde voorwaarden en als je dat niet doet, ben je beperkt. Maar wie voldoet er nou echt aan alle ‘voorwaarden’ om zogenaamd ‘normaal’ te zijn?

Het feit dat ik mezelf niet als beperkt zie is niet voor iedereen te begrijpen. Je krijgt complimenten over hoe goed je het wel niet doet, “ondanks” het feit dat je niet zou kunnen horen. Ik heb veel moeite met dat soort complimenten. Het voelt namelijk niet terecht. Als ik in een café zit met mijn vrienden en er een man naar me toe komt om ons te vertellen dat het zo mooi is dat we “ondanks” onze doofheid toch uitgaan, heb ik daar moeite mee. Want wat wordt er dan van ons verwacht? Dat we thuis zitten en continu bezig zijn met onze doofheid? Dat we alles in ons leven als onmogelijk zien omdat we niet kunnen horen? Dat we thuis zitten te miepen en ons af vragen wat we met ons leven moeten? Uiteraard niet. Ik wil ook een biertje kunnen drinken in de kroeg en met mijn vrienden kletsen over dingen die gebeuren in de wereld zonder dat mensen in die kroeg over ons praten dat we zo ‘bijzonder’ zijn.

Het is  lastig om iemand te zijn die zichzelf niet als beperkt ziet. Dat lijkt in de huidige maatschappij vreemd. Als je niet kan horen, zien of lopen, ben je niet hetzelfde als de meerderheid van de bevolking. Dan ben je ‘beperkt’. Dan gaat men er automatisch van uit dat je wel wilt kunnen horen, lopen of zien, omdat je dan hetzelfde bent als de dominante stroming. Men gaat ervan uit dat je leven ontzettend zwaar moet zijn en dat je veel mist. Ik probeer vaak uit te leggen dat ik een fantastisch leven heb (over het algemeen) doordat ik doof ben. Ik heb het geluk om een van de mooiste talen ter wereld als mijn taal te mogen zien. Ik heb het geluk om onderdeel uit te maken van een unieke en bijzondere groep. Ik heb het geluk om onderdeel te zijn van een groep diverse mensen die een ding delen: we zijn allemaal doof, op welke manier dan ook.   

Met stomheid geslagen

Misschien herinner je je dat ik naar de School voor Journalistiek zou gaan…

Misschien herinner je je dat ik naar de School voor Journalistiek zou gaan. Wat dus niet door ging omdat de school me niet geschikt vindt voor de opleiding. Want: dove studenten zouden de opleiding niet kunnen doen.Dat leverde in augustus veel publiciteit op. Er kwamen ook vragen uit de Tweede Kamer. Mooi, dacht ik. Wordt er dan eindelijk iemand wakker? We weten toch allemaal dat het ontzettend moeilijk is voor doven om toegelaten te worden op een studie? Dan komen de antwoorden. Vol verwachting lees ik ze. In de beantwoording wordt de directeur van de School voor Journalistiek aan het woord gelaten. Van verbazing val ik van mijn stoel. Hij heeft blijkbaar een heel ander gesprek gevoerd dan ik. En ik? Waar blijf ik met mijn verhaal? De directeur mag zijn zegje doen en mij is niets gevraagd. Nou, bij deze.

Het begon in mei. Toen hoorde ik dat ik vijfde was geworden in de toelatingstoets en dus was toegelaten. Wat was ik blij. En zo trots! Twee weken later kreeg ik een mail van de studentendecaan van de opleiding Journalistiek, of ik een afspraak kon maken. Uiteraard, geen probleem. Dat gesprek ging goed, het was positief. Het was zo heerlijk om serieus genomen te worden. De decaan zei dat het misschien wel lastig zou worden. Maar als doof persoon zul je bij alle opleidingen belemmeringen tegenkomen, dus daar was ik al op voorbereid. Er kwam nog een gesprek. Met een SLB’er (Studie Loopbaan Begeleider) erbij. Om nog even alle praktische zaken, zoals tolk, extra tijd voor examens, introductiekamp, etc. door te nemen. De SLB’er was heel enthousiast en zag absoluut geen al te grote problemen.

Na de vakantie zou ik op introductiekamp gaan. Een week daarvoor kwam er een onheilspellend mailtje: ‘er zijn onoverkomelijke problemen’ en of ik ‘zo snel mogelijk’ een afspraak kon maken. Op vrijdag 24 augustus was er een afspraak met de decaan, mijn vader en iemand van de opleiding Bedrijfscommunicatie. Bedrijfscommunicatie?! Nou, je voelt hem waarschijnlijk al aankomen. Ze hadden het vakkenpakket nog eens goed bekeken en er zouden dus ‘onoverkomelijke problemen’ zijn bij vier  vakken. Ze wilden dat ik de opleiding bedrijfscommunicatie ging doen. Ik kon geen woord meer uitbrengen. De opleiding Bedrijfscommunicatie had ik bij de oriëntatie al bezocht. Echt, dat is niets voor mij. Ik wil journalist worden. Mijn ouders steunden me daarin. We vroegen een gesprek met de directeur. Dat was de maandag daarop. Het introductiekamp ging aan me voorbij. Shit.

De directeur zei ook dat ik het diploma niet zou kunnen halen. Het zou gaan om vier vakken. Welke precies werden me niet duidelijk. Later zei de school in het vakblad voor journalisten dat het ging om werken in de regiekamer en om het volgen van sommige bijeenkomsten en om het monteren van geluid. Mijn ouders en ik waren stomverbaasd. Alsof ik dat niet had bedacht. En alsof ik niet over oplossingen had nagedacht. Maar de directeur hield vol. Er viel totaal niet over te praten.

In de antwoorden op de kamervragen spreekt de directeur niet de echte waarheid. Hij heeft het echt wél gehad over ‘tijd en geld’. Hij zei bijvoorbeeld dat er eerder een dove leerling was die voor één vak veel extra tijd en begeleiding kreeg. In mijn geval zou het, omdat de studie is aangepast, gaan om meer vakken. Lees: meer tijd. Verder geeft de minister een beeld van een school die zich welwillend heeft opgesteld. Ik ben het daarmee niet eens. De school had de minister om een ontheffing kunnen vragen voor mijn geval. De school had de commissie gelijke behandeling kunnen raadplegen. Immers, iedereen heeft recht op de opleiding die bij hem past. Niet gedaan. De school had zich kunnen verdiepen in de mogelijkheden die je hebt met tolken. Niets van gemerkt. De school heeft zelf de toets opgesteld waar ik als vijfde uit kwam. Wat is die toets waard?

Ik ben nog iedere dag teleurgesteld. Nu, met de antwoorden op de kamervragen, ben ik dat ook. Wordt het dan nooit beter? Weet je, dove mensen weten hoe moeilijk het is een opleiding te volgen. Ook al is er een wet die zegt dat iedereen gelijk behandeld moet worden. Deze school heeft totaal niet zijn best gedaan om mijn droom mogelijk te maken. En in de antwoorden op de vragen doet de school (en de minister) alsof alles keurig netjes is verlopen. Ze laten de directeur aan het woord en mij niet. Bah.

Dit verhaal is ook geplaatst op joop.nl op 31 oktober 2012.

Theme: Overlay by Kaira
Extra Text