Auteur: LisaHinderks

Zwijgen is niet toestemmen: waarom we ons vaker zouden moeten uitspreken

[Eerder geplaatst in Woord & Gebaar, nummer 4, 2020]

Vroeger, toen ik klein was, vluchtte ik graag in boeken. Als ik iets niet leuk vond, als mijn klasgenootjes me plaagden of erger, me pestten, ging ik het liefst lezen, zodat ik pijn niet hoefde te voelen. Ik was niet goed in aangeven dat ik iets moeilijk vond of dat iets me pijn deed (nog steeds niet). Ik vluchtte liever in andere verhalen, in andere levens. Ik herinner me dat mijn ouders me vertelden dat ik mijn verdriet of pijn moest delen, zodat andere mensen zich bewust werden van wat ze deden en gedrag konden aanpassen of er iets van konden leren. Want mensen zijn zich niet altijd bewust van wat ze doen. Als iets pijn doet, zeg je dat. Als je iets moeilijk vindt, zeg je dat. Toen ik klein was, vond ik dat moeilijk en ik ben er nog steeds niet goed in. Maar ik realiseer me nu wel dat je uitspreken een verandering teweeg kan brengen. Het kan mensen hun ogen openen.  

Aandacht 

Ik vind het een goede ontwikkeling dat mensen zich meer uitspreken. Als iemand iets niet prettig vindt, als iets pijn doet of als iets ongemakkelijk voelt, dan moet dit benoemd worden. Dat is wat nu bij Black Lives Matter gebeurt. Zwarte mensen geven aan dat ze veel racisme ervaren in de samenleving. Dat er veel institutioneel racisme is en dat dit zou moeten veranderen. Heel veel mensen tegelijk spraken zich uit, waardoor ze eindelijk de aandacht kregen die ze verdienden. Terechte aandacht. Want als iets pijn doet, als iets niet goed voelt, als mensen minderwaardig worden behandeld, dan mag daar iets over gezegd worden. Dan moeten mensen zich laten horen. 

Als iemand iets niet prettig vindt, als iets pijn doet of als iets ongemakkelijk voelt, dan moet dit benoemd worden.

Journalist 

Toen ik zeventien was, werd mij door de School voor Journalistiek in Utrecht (SvJ) verteld dat ik de opleiding Journalistiek nooit zou kunnen halen, omdat ik doof ben. Volgens hen zou ik radio, tv en andere vakken niet halen en konden ze geen vrijstellingen of andere oplossingen regelen. Men gaf aan dat ik beter een andere opleiding kon doen en ze hadden al een gesprek geregeld met iemand van de opleiding Bedrijfscommunicatie. Ik was gekwetst, teleurgesteld en mijn droom viel in duigen. Toen ik dat hoorde kroop ik zo diep weg in mijn eigen teleurstelling, dat mijn ouders me er uit moesten trekken. Ik herinner me dat mijn moeder zei: “We gaan het niet opgeven. Dit is discriminatie. Zeg er iets van. Vertel het door. Dit kan gewoon niet.” En ik zei er iets van, op social media. En het kwam in de krant, in meerdere kranten. Ik kreeg stageplekken aangeboden bij kranten en werd uitgenodigd om mijn verhaal te vertellen op verschillende nieuwskanalen.  

Reacties  

De reacties waren vreselijk. De meeste waren positief, maar er zaten reacties bij, die sneden door mijn ziel. Mensen die zeiden: “Welkom in de echte wereld” of “Je bent doof, natuurlijk kan je geen journalist worden” of “Stel je niet zo aan, je had beter moeten weten”. Mijn familie moest me achter de computer wegtrekken, zodat ik reacties niet meer zou lezen. Ik werd er zo intens verdrietig van. Ik was net van de middelbare school af, waar ik zelfvertrouwen had opgebouwd en dat werd door een paar bekrompen mensen behoorlijk vernietigd. Mijn ouders hebben me gesteund, gepusht, mijn tranen opgevangen. Ze vertelden me dat ik journalist kon worden, dat ik in mezelf moest geloven. Ik kreeg zoveel verhalen van mensen toegestuurd die precies hetzelfde hadden meegemaakt, op zoveel verschillende opleidingen en scholen. Zoveel dromen in duigen gevallen, zo veel mensen de grond in geboord, enkel omdat er mensen zijn die in bepaalde kaders denken en niet op andere manieren kunnen denken. Ik vroeg hen waarom ze hun verhalen niet deelden. Ze zeiden: ‘omdat het veel pijn deed.’ of ‘Omdat hun zelfvertrouwen een deuk had opgelopen.’ en ‘Omdat ze twijfelden, misschien had de ander wel gelijk gehad.’ Het maakte me verdrietig, omdat ik al die gevoelens ook herken. Maar het was ook heel fijn om te weten dat ik niet de enige was die dit had meegemaakt.  

Excuus 

De SvJ bood zijn excuses aan. Ze waren afgebrand op de radio, op het nieuws. Ze waren op hun vingers getikt. Er waren zelfs kamervragen gekomen. Niet dat die iets hebben uitgemaakt, maar er was aandacht voor de zaak. Heeft het me iets opgeleverd? Ik denk van wel, uiteindelijk heb ik toch gelijk gekregen, wat een geruststelling voor me was. Ook heb ik hierdoor mensen hopelijk wat bewuster gemaakt hoe dit voor mij voelt en dat het niet zo hoeft te gaan. En ook dat dit nog vaak gebeurt in Nederland. Daarnaast heb ik het hopelijk een beetje makkelijker gemaakt voor de mensen na mij die de opleiding voor journalistiek wilden doen. Het is misschien iets heel kleins. Maar als mensen vaker hun verhalen delen en vaker vertellen wat hun kwetst of wat hun pijn doet, moeten anderen er wel naar luisteren. Als er steeds meer doven hun ervaringen delen, ziet men in dat er iets moet veranderen.  

Als er steeds meer doven hun ervaringen delen, ziet men in dat er iets moet veranderen. 

Niet zwijgen 

Nu, acht jaar later, vind ik het nog steeds moeilijk om me uit te spreken. Soms zie ik iets wat me raakt. Dan moet ik mezelf ertoe zetten om er iets van te zeggen. En de reacties doen dan ook pijn, maar ik probeer te bedenken dat het voor een goed doel is. Voor een meer inclusieve maatschappij. Misschien ben ik wat idealistisch, denk ik dat de wereld een betere plek kan worden. Dat geloof ik echt. Als wij doven onze verhalen vaker vertellen, vaker vertellen dat dingen ons kwetsen, of dat iets ons pijn doet, worden mensen steeds bewuster. Als je je niet uitspreekt, verandert er niets. Je bent de enige die er onder lijdt, terwijl er zo veel verhalen bestaan als het jouwe. En als jij er niet iets van zegt, zal de volgende dove persoon die zich aanmeldt op jouw school precies hetzelfde meemaken. Die zal ook die pijn voelen die jij voelde. Hoeveel doven zijn er wel niet die discriminatie meemaken? Te veel. Ik denk dat het er veel te veel zijn geweest. Dus spreek je uit. Vertel jouw verhaal. Zwijgen is niet toestemmen. Door te zwijgen verandert er niks.     

Hoe kan je je uitspreken?  
Als je ziet of meemaakt dat er sprake is van discriminatie, kun je een melding doen bij het College voor de rechten van de mens. Zij kunnen de zaak in behandeling nemen. Als je het gevoel hebt dat een organisatie jou oneerlijk behandeld, kan je een mail sturen naar de desbetreffende organisatie en een klacht indienen. Als de organisatie niet reageert of jouw ervaring niet serieus neemt kan je ook een melding doen bij het College. Als je twijfelt of het wel echt discriminatie is, kan je ook een oordeel aanvragen bij het College, zij zullen dan een oordeel geven over jouw klacht. Je kan meer informatie vinden over het college op: https://klachtenformulier.mensenrechten.nl/#/.  

Je kan er ook op social media aandacht voor vragen. Dan kan het gebeuren dat je vervelende of pijnlijke reacties krijgt, maar mensen worden dan wel meer bewust dat zulke dingen nog steeds gebeuren in Nederland.  Via Twitter kun je veel organisaties goed bereiken door ze te taggen en door het kiezen van de juiste hashtags kunnen andere mensen jouw tweets vinden.  

  

Irma doet het mooi, maar de doven verdienen een lintje (NL/NGT)

Dit artikel is eerder in het NRC geplaatst op 13 april 2020
De NGT-vertaling stond al eerder op Doofcentraal, op 19 april 2020

Een goede vriendin van me is een meesterverteller. Haar gebaren slepen je mee naar verre oorden en wilde nachten. Ze is vol van taal en leidt zo een magisch leven. Mijn huisgenoot kan je vertellen over het leven dat hij leidde dat vol tragische gebeurtenissen was en je zal vanzelf geraakt worden. Om hun verhalen te moeten begrijpen zal je de Nederlandse Gebarentaal moeten beheersen, want ze gaan het niet in het Nederlands aan je vertellen.

De Nederlandse Gebarentaal is hun moedertaal, hun eerste taal. De Nederlandse Gebarentaal is een taal met eigen grammatica en woordenschat en is niet vergelijkbaar met het Nederlands. Je zou ook een tolk kunnen inzetten, die deze fascinerende verhalen kan omzetten naar het Nederlands, zodat je de verhalen grotendeels kan volgen. Maar niet alles is vertaalbaar naar het Nederlands. Zo heeft de gebarentaal zijn eigen straattaal, zijn eigen woorden, die geen vertaling kennen in de gesproken taal.

En dan is er de tolk, die naast premier Rutte staat. Heel Nederland is fan van Irma. Als dove tolkgebruiker vind ik het een fascinerend fenomeen. En tegelijkertijd ook frustrerend en pijnlijk. Hoeveel tweets en berichten heb ik wel niet gezien waarin wordt gezegd dat wat Irma doet zo mooi is, dat de Nederlandse Gebarentaal zo fascinerend is, dat Irma een lintje zou moeten krijgen, of zelfs een eigen talkshow. Hoe vaak hebben doven wel niet geprobeerd om aandacht te krijgen voor het belang van toegankelijkheid? Hoe vaak hebben we niet in onze eigen taal verteld hoe belangrijk de taal en de erkenning ervan wel niet is?

En nu, nu er een (horende) tolk in beeld is, naast Rutte, ziet iedereen ineens het licht? Wij, doven, hebben dit al jaren geroepen. Ik ben heel blij dat informatie eindelijk toegankelijk is in mijn eigen taal, echt waar. Ze doet het goed en ik kan alles volgen, maar vertalen is haar werk. Ze is er voor opgeleid, net als dat alle andere mensen opgeleid worden voor het werk dat ze doen. Irma maakt dagelijks situaties toegankelijk in de Nederlandse Gebarentaal. Dat neemt niet weg dat ik heel erg blij ben dat ze er staat, dat er aandacht is voor de Nederlandse Gebarentaal, maar het had iedere willekeurige) tolk kunnen zijn. Waarom geven we de mensen die dit hebben geregeld geen lintje, zoals Eva Westerhoff, Corrie Tijsseling en vele andere doven? Die hebben hier jaren over meegepraat, dit jaren aangekaart in de politiek, op het nieuws, op social media. Dankzij hun strijd staat Irma daar.

Als men graag een talkshow wil: ik ken genoeg doven die prachtig kunnen gebaren. Zo kan mijn vriendin, de meesterverteller, dan eens een platform krijgen voor haar verhalen. En mijn huisgenoot, met zijn tragische levensverhaal, kan eindelijk zijn verhaal kwijt. We zullen onze eigen verhalen, maar ook die van anderen, vertellen in de Nederlandse Gebarentaal. We vertalen niet, maar vertellen zelf, in onze eigen moedertaal. We kunnen je het gevoel geven dat je je in andere werelden bevindt, en met ons hele lichaam onze verhalen demonstreren. Als je de taal kent, zal het je kunnen ontroeren, mee kunnen slepen, je boeien, je fascineren en vervoeren. Wat is het toch een prachtige taal en wat ben ik trots dat het de mijne is.

Onbeperkt

Geplaatst in Woord & Gebaar in mei 2019.

Ik heb mezelf lange tijd als beperkt gezien, toen ik jonger was, niet omdat ik een zogenaamde beperking heb, maar door het feit dat de samenleving me als beperkt zag. Het stoorde me altijd nogal. Ik kan niet horen, maar ik zag niet in waarom me dat minder zou maken dan de rest van de horende bevolking. In het leven dat ik leid voel ik me over het algemeen net zo normaal als mijn horende buurvrouw die elke dag haar plantjes water geeft en dan op de fiets naar haar werk gaat. Ik voel me net zo normaal als het meisje dat in een koffiebar bezig is met haar werk en sloten koffie drinkt om gefocust te blijven. Ik voel me net zo normaal als de man in de supermarkt die twijfelt welke kaas hij wil kopen. Het zijn namelijk allemaal dingen die ik ook doe en waar ik me niet beperkt in voel.   

Uiteraard zijn er wel momenten dat ik me ‘beperkt’ voel, maar dat heeft niet te maken met mijn eigen doofheid. Het heeft te maken met het feit dat er dingen in het systeem niet toegankelijk zijn voor iedereen, niet alleen voor ons doven, maar voor heel veel mensen niet. Maakt dat ons beperkt? Of is het systeem dan beperkt? Ik denk het tweede. Ik wil mezelf niet als minderwaardig zien omdat het systeem beperkt is. Ik weiger mezelf als minder te zien, alleen maar omdat de wereld te veel gericht is op audio. Het hebben van een beperking is alleen maar gebaseerd op het idee dat een mens zou moeten voldoen aan bepaalde voorwaarden en als je dat niet doet, ben je beperkt. Maar wie voldoet er nou echt aan alle ‘voorwaarden’ om zogenaamd ‘normaal’ te zijn?

Het feit dat ik mezelf niet als beperkt zie is niet voor iedereen te begrijpen. Je krijgt complimenten over hoe goed je het wel niet doet, “ondanks” het feit dat je niet zou kunnen horen. Ik heb veel moeite met dat soort complimenten. Het voelt namelijk niet terecht. Als ik in een café zit met mijn vrienden en er een man naar me toe komt om ons te vertellen dat het zo mooi is dat we “ondanks” onze doofheid toch uitgaan, heb ik daar moeite mee. Want wat wordt er dan van ons verwacht? Dat we thuis zitten en continu bezig zijn met onze doofheid? Dat we alles in ons leven als onmogelijk zien omdat we niet kunnen horen? Dat we thuis zitten te miepen en ons af vragen wat we met ons leven moeten? Uiteraard niet. Ik wil ook een biertje kunnen drinken in de kroeg en met mijn vrienden kletsen over dingen die gebeuren in de wereld zonder dat mensen in die kroeg over ons praten dat we zo ‘bijzonder’ zijn.

Het is  lastig om iemand te zijn die zichzelf niet als beperkt ziet. Dat lijkt in de huidige maatschappij vreemd. Als je niet kan horen, zien of lopen, ben je niet hetzelfde als de meerderheid van de bevolking. Dan ben je ‘beperkt’. Dan gaat men er automatisch van uit dat je wel wilt kunnen horen, lopen of zien, omdat je dan hetzelfde bent als de dominante stroming. Men gaat ervan uit dat je leven ontzettend zwaar moet zijn en dat je veel mist. Ik probeer vaak uit te leggen dat ik een fantastisch leven heb (over het algemeen) doordat ik doof ben. Ik heb het geluk om een van de mooiste talen ter wereld als mijn taal te mogen zien. Ik heb het geluk om onderdeel uit te maken van een unieke en bijzondere groep. Ik heb het geluk om onderdeel te zijn van een groep diverse mensen die een ding delen: we zijn allemaal doof, op welke manier dan ook.   

In doveninternaat zag men mij zoals ik was

Dit artikel is ook geplaatst in de Volkskrant op 23 december 2015

Ik was een eigenwijze puber. Eentje die het nergens mee eens was en overal wel een mening over had. Eentje die ’s nachts opbleef en naar films keek samen met anderen. Ik was er eentje die in opstand kwam tegen de leraren, maar anderzijds ook heel goed met ze kon opschieten. Ik was een puber die verliefd werd, gebroken en uit kwam huilen bij mijn vriendinnen. Ik was er eentje die altijd met de meeste willekeurige smoezen te laat kwam. Maar ik werd pas zo’n puber toen ik in mijn wereldje kwam, in mijn cultuur. Toen er eindelijk gekeken werd naar hoe ik was – en niet wat ik was. Ik was een van de velen en eindelijk niet eens “die éne”. Ik was eindelijk niet dat “dove meisje”, maar een unieke persoonlijkheid. Ik ben thuis, in die wereld.

Ik heb veel herinneringen aan mijn jeugd. Voor mijn veertiende, was ik in mijn herinnering een stil en verlegen meisje. Ik hoorde er niet echt bij. Terwijl mijn klasgenoten van toen vriendschappen voor het leven maakten, ruzie maakten met de docenten, streken uithaalden in de klas, zat ik voorin met mijn tolk. Ik kreeg niet mee wat er achter me gebeurde, want ik hoorde er niet bij. Ik was op mijn eenzame eilandje in de grote wrede oceaan, dat middelbare school heet. Ik was elke dag bezig met vechten, met het feit dat ik anders was, dat ik altijd anders zou zijn. Ik kwam elke dag doodmoe thuis, het was verstikkend. Op gegeven moment – op mijn veertiende – kon ik dat niet meer. Ik besloot om naar een dovenschool te gaan, maar toentertijd zat de enige dovenschool met HAVO in Groningen. En daarvoor moest ik naar een internaat, want ik woonde toen in Hoevelaken (en dat is twee uur rijden naar Groningen). De beste beslissing die ik ooit kon maken.

Het internaat is een bijzondere plek voor bijzondere mensen. Het is een gewone straat in Groningen, met verschillende groepen. Ik zat toen in de Roze Panters, met vijf anderen van verschillende leeftijden. Ik had mijn eigen kamer die ik zelf mocht inrichten. Er waren drie groepsleiders per groep, die elkaar afwisselen. De meeste van mijn vrienden en vriendinnen woonden dus in dezelfde straat. Mijn mooiste herinneringen heb ik aan mijn tijd daar. Elke ochtend met mijn vrienden naar school kunnen fietsen en kunnen kletsen in mijn taal. En als ik thuiskwam, dan plofte ik op de bank met thee en aten mijn huisgenoten en ik de koekjestrommel leeg terwijl we roddelden over de docenten of de knappe jongen uit de hoogste klas die een paar woorden tegen ons had gezegd. Of die nachten dat we stiekem met elkaar opbleven en horror-films gingen kijken. Of die middagen dat het begon te sneeuwen en dat we sneeuwballengevechten hielden, met horende jongens die aan de overkant woonden – wat op ruzie uitdraaide. Of de donderdagavonden, dat we langer op mochten blijven en rondhingen bij de speeltuin achter het internaat of gingen zwemmen in de Hoornse Plas. Ik was eindelijk wie ik toen was. Een meisje van vijftien, dat werd geaccepteerd om wie ze is.

We willen samen leven met de mensen die ons het beste begrijpen, die we zelf het beste begrijpen. Mensen die dezelfde taal spreken. Gebarentaal. Dat er wordt gekeken naar ons zoals we zijn. En niet zoals: “die dove mensen”. Ik geloof dat mensen in de puberteit de ruimte moeten krijgen om een sterke persoonlijkheid te ontwikkelen, om te experimenteren, om fouten te maken. Mensen die buitengesloten worden, of die het gevoel hebben er niet bij te horen, ontwikkelen dit niet. Ze zijn continu bezig met datgene waarin ze anders zijn, zodat ze niet weten wat hun juist zo bijzonder maakt. Door mijn jaren op Guyot, op het internaat, heb ik me ontwikkeld tot de persoon die ik nu ben. Omdat ik in mijn puberteit met mensen was die me accepteerden om wie ik was, heb ik nu een sterke basis waarnaar ik terug kan keren als het moeilijk is in de horende wereld. Doordat ik nu stevig in mijn schoenen sta en weet wie ik ben, is het minder moeilijk om de colleges te volgen en om te gaan met mijn horende mede-studenten. Want als ik thuiskom, in de dovenwereld, kan ik weer ademen.

Ja, ik ben een voorstander van het internaat. Ik moet er niet aan denken dat vele jongeren datzelfde gevoel moeten ervaren, dat ik had voor mijn veertiende. Dat zoekende, dat eenzame. Dat ze naar een school in de buurt moeten, omdat de dovenschool te ver weg is. Dat ze zich, net als ik, zo eenzaam voelden omdat ze anders waren, terwijl er een wereld bestaat waar ze zich gewoon thuis kunnen voelen. De hele schooltijd wordt zo ingericht dat je mee kan doen als dove, het enige wat in je leven bestaat is je doofheid en niet de persoon die je wil worden. Ik wil dat niemand dat ooit hoeft te voelen. Als straks het internaat verdwijnt, zullen er veel jongeren zijn die naar het regulier onderwijs moeten. Daar waar ze anders zijn, waar ze een andere taal spreken, waar mensen als eerst de doofheid zien, in plaats van de persoon. Geef deze jongeren de ruimte om te ademen, in plaats van hun adem vast te houden in hun zoektocht naar waar ze thuis horen. Laat ze thuiskomen.

Met stomheid geslagen

Misschien herinner je je dat ik naar de School voor Journalistiek zou gaan…

Misschien herinner je je dat ik naar de School voor Journalistiek zou gaan. Wat dus niet door ging omdat de school me niet geschikt vindt voor de opleiding. Want: dove studenten zouden de opleiding niet kunnen doen.Dat leverde in augustus veel publiciteit op. Er kwamen ook vragen uit de Tweede Kamer. Mooi, dacht ik. Wordt er dan eindelijk iemand wakker? We weten toch allemaal dat het ontzettend moeilijk is voor doven om toegelaten te worden op een studie? Dan komen de antwoorden. Vol verwachting lees ik ze. In de beantwoording wordt de directeur van de School voor Journalistiek aan het woord gelaten. Van verbazing val ik van mijn stoel. Hij heeft blijkbaar een heel ander gesprek gevoerd dan ik. En ik? Waar blijf ik met mijn verhaal? De directeur mag zijn zegje doen en mij is niets gevraagd. Nou, bij deze.

Het begon in mei. Toen hoorde ik dat ik vijfde was geworden in de toelatingstoets en dus was toegelaten. Wat was ik blij. En zo trots! Twee weken later kreeg ik een mail van de studentendecaan van de opleiding Journalistiek, of ik een afspraak kon maken. Uiteraard, geen probleem. Dat gesprek ging goed, het was positief. Het was zo heerlijk om serieus genomen te worden. De decaan zei dat het misschien wel lastig zou worden. Maar als doof persoon zul je bij alle opleidingen belemmeringen tegenkomen, dus daar was ik al op voorbereid. Er kwam nog een gesprek. Met een SLB’er (Studie Loopbaan Begeleider) erbij. Om nog even alle praktische zaken, zoals tolk, extra tijd voor examens, introductiekamp, etc. door te nemen. De SLB’er was heel enthousiast en zag absoluut geen al te grote problemen.

Na de vakantie zou ik op introductiekamp gaan. Een week daarvoor kwam er een onheilspellend mailtje: ‘er zijn onoverkomelijke problemen’ en of ik ‘zo snel mogelijk’ een afspraak kon maken. Op vrijdag 24 augustus was er een afspraak met de decaan, mijn vader en iemand van de opleiding Bedrijfscommunicatie. Bedrijfscommunicatie?! Nou, je voelt hem waarschijnlijk al aankomen. Ze hadden het vakkenpakket nog eens goed bekeken en er zouden dus ‘onoverkomelijke problemen’ zijn bij vier  vakken. Ze wilden dat ik de opleiding bedrijfscommunicatie ging doen. Ik kon geen woord meer uitbrengen. De opleiding Bedrijfscommunicatie had ik bij de oriëntatie al bezocht. Echt, dat is niets voor mij. Ik wil journalist worden. Mijn ouders steunden me daarin. We vroegen een gesprek met de directeur. Dat was de maandag daarop. Het introductiekamp ging aan me voorbij. Shit.

De directeur zei ook dat ik het diploma niet zou kunnen halen. Het zou gaan om vier vakken. Welke precies werden me niet duidelijk. Later zei de school in het vakblad voor journalisten dat het ging om werken in de regiekamer en om het volgen van sommige bijeenkomsten en om het monteren van geluid. Mijn ouders en ik waren stomverbaasd. Alsof ik dat niet had bedacht. En alsof ik niet over oplossingen had nagedacht. Maar de directeur hield vol. Er viel totaal niet over te praten.

In de antwoorden op de kamervragen spreekt de directeur niet de echte waarheid. Hij heeft het echt wél gehad over ‘tijd en geld’. Hij zei bijvoorbeeld dat er eerder een dove leerling was die voor één vak veel extra tijd en begeleiding kreeg. In mijn geval zou het, omdat de studie is aangepast, gaan om meer vakken. Lees: meer tijd. Verder geeft de minister een beeld van een school die zich welwillend heeft opgesteld. Ik ben het daarmee niet eens. De school had de minister om een ontheffing kunnen vragen voor mijn geval. De school had de commissie gelijke behandeling kunnen raadplegen. Immers, iedereen heeft recht op de opleiding die bij hem past. Niet gedaan. De school had zich kunnen verdiepen in de mogelijkheden die je hebt met tolken. Niets van gemerkt. De school heeft zelf de toets opgesteld waar ik als vijfde uit kwam. Wat is die toets waard?

Ik ben nog iedere dag teleurgesteld. Nu, met de antwoorden op de kamervragen, ben ik dat ook. Wordt het dan nooit beter? Weet je, dove mensen weten hoe moeilijk het is een opleiding te volgen. Ook al is er een wet die zegt dat iedereen gelijk behandeld moet worden. Deze school heeft totaal niet zijn best gedaan om mijn droom mogelijk te maken. En in de antwoorden op de vragen doet de school (en de minister) alsof alles keurig netjes is verlopen. Ze laten de directeur aan het woord en mij niet. Bah.

Dit verhaal is ook geplaatst op joop.nl op 31 oktober 2012.

Theme: Overlay by Kaira
Extra Text